Inhoud midden
Belangrijkste inhoud
.Antieke schrijvers over het thema Varusslag
Cassius Dio Cocceianus, Romeinse geschiedenis 18,1-22,2
18.
1. De besluiten waren nauwelijks genomen, als uit Germanië een verschrikkelijke tijding aankwam en ze van de voorgenomen feestelijkheden afhield. In deze tijd hadden zich in Germanië volgende gebeurtenissen afgespeeld: De Romeinen hadden bepaalde delen ervan in bezit, geen samenhangende gebieden maar alleen zulke districten ze net hadden onderworpen daarom werd hiervan dan ook geen melding gemaakt.
2. En Romeinse soldaten waren daar in winterverblijven ondergebracht en men begon met de aanleg van steden. De barbaren zelf pasten zich aan de nieuwe zeden aan, richtten zich op het houden van markten en ontmoetten elkaar op vreedzame bijeenkomsten. Toch hadden zij nog niet hun oude gewoontes, hun aangeboren zeden, hun vroegere ongebonden leven en de macht vergeten, zoals die door wapenbezit werden verkregen.
3. Vandaar voelden zij zich zolang ze deze zeden slechts geleidelijk en om zo te zeggen terloops onder nauwkeurig toezicht verleerden, noch door de verandering van hun levenswijze werden gestoord, noch merkten hoe zij veranderden. Als Quintilius Varus echter als stadhouder het opperbevel over Germanië overnam en hen te snel wilde omvormen doordat hij hun verhoudingen krachtens zijn autoriteit regelde, ze ook verordeningen oplegde en in het bijzonder de manier waarop hij tribuut van de onderdanen verlangde, kwam er een einde aan hun geduld.
4. De aanvoerders probeerden hun vroegere heerschappij weer te bemachtigen en het volk wilde liever de oude vertrouwde toestand dan de vreemde tirannie. Ze waren ondertussen niet in alle openbaarheid verontwaardigd omdat ze zagen dat er veel Romeinse troepen aan de Rijn maar in hun eigen land waren gestationeerd.
5. In plaats daarvan namen zij Varus bij zich op en deden net zo alsof ze alle hen opgedragen bevelen wilden uitvoeren, en lokten hem op deze manier ver van de Rijn weg, in het land van Cherusken tot aan de Weser. Daar lieten zij zich van hun meest vreedzame en vriendschappelijke zijde zien en wekten daarmee het geloof op dat zij ook zonder militaire dwang het knechtschap zouden verdragen.
19.
1. Varus liet daarom zijn legioenen zoals het in het vijandelijke gebied verstandig zou zijn geweest, niet bij elkaar, maar verdeelde veel van zijn soldaten over de zwakke gewesten die hem daarom verzochten, zogenaamd met het doel verschillende punten te bewaken of om rovers vast te nemen of om bepaalde levensmiddelentransporten te begeleiden.
2. De belangrijkste samenzweerders en aanvoerders bij de aanslag zoals in de oorlog waren naast Arminius en Segimerus, andere permanente begeleiders van Varus en herhaaldelijk ook tafelgenoten.
3. Zo voelde de Romeinse veldheer zich veilig en rekende niet met het ergste; allen die echter deze ontwikkelingen met argwaan vervolgden en hem tot voorzichtigheid maanden, schonk hij geen geloof, ja hij maakte hen zelfs verwijten, als zouden zij zonder reden ongerust zijn en ze zijn vrienden in een kwaad daglicht wilden stellen. Dan kwam het tot een eerste opstandsbeweging en weliswaar bij de volksstammen die het verst van hem vandaan woonden; een goed doordacht plan:
4. Varus moest tegen deze onruststokers ten strijde trekken en tijdens de mars door zogenaamd bevriend gebied met geringe moeite worden overweldigd, in plaats daarvan dat hij, zoals het bij algemene, plotselinge uitbreken van de vijandelijkheden tegen hem te verwachten was, vooral oppaste. En zo gebeurde het dan ook: Eerst gaven de samenzweerders hem bij het uitrukken het geleid dan namen zij afscheid, om zogenaamd de verbonden contingenten te verzammelen en hem daarmee snel te hulp te kommen,
5. Overnamen echter alleen de leiding over al hun bereidstaande troepen en vielen nadat men overal de daar aanwezige, vantevoren aangevraagde garnizoenen had afgeslacht, de veldheer zelf aan die zich al in het midden van de ondoordringbare bossen bevond. Daar openbaarden op het zelfde ogenblik de Germanen zich echter niet als onderdanen maar als vijanden en richtten verschrikkelijke verwoestingen aan.
20.
1. De bergen zonder vlakten waren namelijk met schluchten doortrokken en bovendien stonden er reusachtige bomen dicht bijelkaar zodat de Romeinen al voor de vijandelijke overval met het vellen van bomen, het aanleggen van wegen en het overbruggen van terreingedeelten waar dat nodig was, moeite genoeg hadden.
2. Zoals midden in de vredenstijd voerden zij veel wagens en ook lastdieren met zich mee; daarbij werden ze door talrijke kinderen en vrouwen en nog door een aanzienlijke tros van slaven begeleid, die zij eveneens tot een losse marsvorm dwongen.
3. Intussen begon het hard te regenen en te stormen wat de marcherenden nog meer vanelkaar scheidde en de glibberige grond rond de wortels en stammen maakte elke stap heel onzeker; het afbreken en neerstorten van de boomtoppen zorgden voor verdere verwarring.
4. Met zulke moeilijkheden hadden de Romeinen het toen te doen toen de barbaren met hun wegenkennis dan juist door de ergste kreupelhout drongen en hen plotseling van alle kanten tegelijk omsingelden. Eerst schoten zij alleen vanuit de verte dan als niemand zich meer tegenstand bood en er veel verwonden waren, kwamen zij dichter bij hun tegenstanders.
5. De Romeinen marcheerden in ieder geval niet in een vaste volgorde, maar door elkaar met wagens en niet bewapende personen; zij konden zich ook nergens gemakkelijk tot één groep aaneensluiten, en omdat zij getalsmatig overal de mindere van de plotseling oprukkende aanvallers waren, hadden ze zelf zwaar te lijden, zonder iets daartegen te kunnen uitrichten.
21.
1. Daarom sloegen zij ter plekke een kamp op nadat ze, voorzover dat op een beboste berg mogelijk was, een geschikte plaats hadden gevonden. Hierop verbrandden zij de meeste wagens en alles wat hen niet dringend nodig bleek te zijn of ze lieten het achter. Op de volgende dag werd de mars in iets betere toestand voortgezet en zij bereikten weliswaar niet zonder bloedige verliezen zelfs open terrein.
2. Van daar uit kwamen zij echter weer in de bossen terecht. Hier moesten zij de aanvallers tegenhouden waarbij ze echter juist hier de zwaarste verliezen leden. Want op een enge plaats samengeperst daarmee schouder aan schouder ruiters en voetvolk de vijanden zouden tegemoed kunnen stormen, stootten zij veelvuldig opelkaar of tegen de bomen.
3. Als de vierde dag aanbrak bevonden zij zich nog steeds op de mars en ze werden opnieuw door heftige regen en sterke wind overvallen waardoor zij noch verder konden gaan noch een vaste standplaats konden vinden, ja zelfs de wapens niet eens meer konden gebruiken. Ze konden namelijk niet meer succesvol hun bogen en speren of het door en door natte schild bedienen.
4. De vijanden daarentegen voor het grootste deel slechts licht bewapend en in staat, zonder gevaar aan te vallen en zich terug te trekken, hadden minder onder de ongemakken te lijden. Bovendien was hun aantal sterk toegenomen omdat veel anderen die aanvankelijk slechts hadden afgewacht - vooral met het vooruitzicht op de buit – zich nu ook aansloten. Bij de Romeinen daarentegen waren er in de voorafgaande gevechten al velen gevallen en hun rijen gelicht.
5. Zo konden de barbaren hun tegenstanders gemakkelijker omsingelen en afslachten. Varus en de overige hoge officieren kregen daarvoor angst, zij wilden noch levend gevangen worden genomen noch door hun grimmigste vijanden worden omgebracht - zij waren allemaal al verwond - en dat leidde tot een weliswaar verschrikkelijke maar noodzakelijke daad: ze pleegden zelfmoord.
22.
1. Als het bericht daarover zich verspreidde, bood de rest van de lieden, zelfs als ze nog bij krachten waren, ook geen tegenstand meer, veelmeer volgden de enen het voorbeeld van hun veldheer terwijl de anderen zelf hun wapens wegwierpen en zich door dichstbijzijnde lieten afslachten; want vluchten was onmogelijk, hoe zeer zij ook wilden vluchten.
2. En zo werd iedere man en ieder paard zonder dat men tegenstand vrezen moest, afgeslacht (...)