Inhoud midden
Belangrijkste inhoud
.Het Romeinse leger
Legioen
28 legioenen bestonden er ten tijde van keizer Augustus. Een legioen telde 5000 tot 6000 man en vormde de grootste eenheid van het Romeinse leger. Ze recruteerden zich uitsluitelijk uit Romeinse burgers en ze werden overwegend als zware infantrie ingezet. Een legioen was onderverdeeld in tien cohorten en vier »turma« genoemde eenheden met 120 man ruiterij.
Een »legatus legionis« genoemde legaat voerde het commando over een legioen. Twee plaatsvervangers stonden hem bij, de militaire tribuun» tribunus laticlavus« uit de stand van de senatoren en de kampprefect »praefectus castrorum«. Vijf »tribuni angusticlavi«, militaire tribunen uit de ridderstand dienden als stafofficieren. Er kwamen dan nog eens meer dan 200 man bij die met administratieve en verzorgingstaken waren belast of bijvoorbeeld als artsen werden ingezet.
De hogere officieren beschikten bovendien over een aanzienlijk gevolg aan slaven, wagens en lastdieren waarbij over het geheel gezien nog eens ongeveer 200 personen en minstens 300 rij-, trek- en lastdieren gerekend moeten worden. Het legioen bestond uit ongeveer 6500 man waarvan er circa 5300-5500 soldaten waren.
De legioenen werden met een nummer aangeduid. Ten tijde van Augustus die de traditionele benaming van de oudere legioenen handhaafde, kwam het daardoor tot talrijke dubbele toewijzingen van legioensnummers. Zo beschikte Augustus drie maal over de »legio III« en twee maal over de legioenen IV, V en VI. Om de eenheden te vanelkaar te kunnen onderscheiden, kregen ze derhalve al sinds het begin van de 1e eeuw v. Chr. duidelijke bijnamen. Deze konden geografische aanduidingen over de herkomst van de legionairs bevatten of over de gebieden waarin zij voor een langere tijd waren ingezet en successen hadden bevochten. Bovendien werden de militaire deugden van het legioen genoemd; geliefde voorbeelden zijn »victrix«, het »zegevierende«, of »pia fidelis«, het »plichtbewuste en trouwe« legioen.
Wanneer een legioen zich op Caesar beriep, zo moest dat niet betekenen dat het dan al sinds de tijd van Caesar ononderbroken had bestaan. Zo riep keizer Augustus bijvoorbeeld de veteranen van een voormalig legioen ten tijde van Ceasar weer in dienst en richtte met deze mannen als kern een nieuw legioen met de oudgediende naam en de symbolen die het legioen ten tijde van Caesar had. Het embleem van de legioenen uit de tijd van Caesar was meestal de stier, het dierenriemteken van de godin Venus, de mythieke stichtster van het iulischen keizerlijk huis. De legioenen van Augustus droegen de »capricornus«, het dierenriemteken »steenbok« van Augustus, als symbool.
Kleding
De basiskleding van de Romeinse Legionairs was – net als die van de burgerbevolking - de tunica. Over een linnen Tunica droeg men een armloze of een wollen tunica met korte armen. Met een gordel kon de lengte worden geregeld waarmee men de stof hoog kon trekken en over de gordel kon laten vallen. In het koude seizoen zorgden »tibialia«, beenwindselachtige gewikkelde kouzen van lappen of vellen voor warme voeten en benen. (De bij de hulptroepen al vroeg gebruikelijke knielange broeken werden eerst in de 2e eeuw door de Romeinse soldaten overgenomen.) De door de soldaten van Augustus geprefereerde mantel was de »paenula« die ook in het burgelijke leven dikwijls werd gedragen. Ze was van een dichte wolachtige stof genaaid en net als een poncho met capuchon te dragen. Daarbij kwam de »focale«, de wollen sjaal. De kleding de hogere dienstgraden en zelfs van de keizer verschillende niet van die van de legionairs. Alleen de purpurgekleurde mantel, de »paludamentum« was alleen voor de officieren bestemd die deze mantel echter alleen bij bepaalde feestelijke gelegenheden droegen.
Het karakteristische Romeinse schoeisel bestond uit de »caligae«, de militaire leeren sandalen met een genagelde zool. Ze werden door de voetsoldaten en de ruiterij tot de rang van centurio gedragen. De tribunen en legaten droegen daarentegen de »calceus«, de lage, van week leer genaaide gesloten laarzen.
Overigens: De kleine zoon van Germanicus die in het veldkamp van zijn vader opgroeide, kreeg van de soldaten die hem klaarblijkelijk mochten, de bijnaam »Caligula« wat met »militaire sandaaltjes« vertaald zou kunnen worden. Onder deze naam is hij later ook als keizer de geschiedenis ingegaan.
Bewapening
De met metaal rijk beslagen en versierde militaire gordel heette »cingulum militare«. Ten tijde van keizer Augustus droeg men twee gekruiste »cingula« waaraan rechts het zwaard en links de dolk hingen. Op afbeeldingen zijn de »cingula« van de centuriën wel bijzonder breed en zonder wapens afgebeeld; blijkbaar waren zij in de vorm van een soort dienstonderscheidingsteken. De riem werd met een metalen sluiting met lange tong van de gesp gesloten. De dolkriem had twee extra knopen waaraan de dolkschede met leeren riemen werd vastgemaakt. De zwaardriem werd daarentegen eenvoudig door de aan de achterkant van de zwaardschede vastgemaakte riem geschoven.
Het in het midden van het lichaam door de gordel naar beneden hangende voorschort met vier tot acht metaallbeslagenen stroken kwam eerst in het midden van de 1e eeuw n. Chr. op, de soldaten gebruikten hem ten tijde van keizer Augustus en het begin van heerschappij van Tiberius nog niet.
De vaak rijk versierde en de door het kleurenspel glanzende metalen maliënkolder werd alleen door de keizer en de ranghoogste officieren gedragen want de vervaardiging was erg duur. De eenvoudige soldaten droegen de maliënkolder, de »lorica hamata«. De maliënkolder paste zich soepel aan alle bewegingen aan en was bovendien licht en recht goedkoop te maken. Hij werd door het Romeinse leger al sinds de 2e eeuw v. Chr. gebruikt en naar alle waarschijnlijkheid van Keltische voorbeelden overgenomen. De maliënkolder werd door twee haken op de borst gesloten. Omdat de maliënkolder cylindrisch en behoorlijk wijd was uitgesneden, werden nek, schouders en borst door extra aangebrachte met van leeren voering voorziene delen versterkt die met riemen of haken aan de maliënkolder werden vastgemaakt. De acht tot negen kilogram zware »lorica hamata« was tot het midden van de 1e eeuw n. Chr. principieel omgord. Omstreeks die tijd kwamen ook wijde, capeachtige de bovenarmen bedekkende schouderstukken aan de maliënkolder op. Ook de »pteryges«, leeren lassen die aan de zoom van het onderkleed en de korte (schijn-)mouw waren aangebracht en een aanvullende bescherming boden, werden nu ook door de legionairs korte »lorica« gedragen terwijl ze daarvoor alleen voor de centurios en de dragers van de vaandels waren bestemd.
Naast de maliënkolders was er ook geschubd pantser. De tot vijf centimeter grote leeren schubben waren gedeeltelijk met metaal bedekt en op een linnen pantser of een maliënkolder genaait. Het geschubd pantser, »lorica squamata«, was in het bijzonder bij de ruiterij en de hogere dienstgraden geliefd.
Voor de bescherming van het hoofd diende een ijzeren of bronzen helm die »galea« en »cassis« werd genoemd. Om slagen af te weren en voor het bevestigen van de meestal rode of zwart geverfde helmpluim diende een knop of een vertakt bovenstuk op de helm. Een nekbescherming en een aan scharnieren vastgemaakte wangenkleppen boden aanvullende bescherming. In het kalotje werd een met roshaar gevuld linnen kussen als helmvoering vastgekleefd. Onder de nekbescherming was de nekriem met twee ogen vastgemaakt. Daar werd ook een deel van de helmpluim vastgebonden, om behinderingen tijdens het gevecht te vermijden. De nekriem werd aan beide kanten naar voren en door ogen van de wangenkleppen geleid en dan onder de kin vastgeknoopt. Omdat de helm de Romeinse staat en niet de afzonderlijke soldaten behoorde, waren vaak afkortingen van de betreffende eenheid of de namen van verschillende soldaten die de helm hadden gebruikt, in het nekschild gegraveerd.
Een ander bestanddeel van de verdediging was het schild dat vaak met de symbolen van de eenheid was versierd. De Romeinse voetsoldaten gebruikten het langwerpige gewelfde schild »scutum«. Het bestond uit meerdere houtlagen en een bespanning van linnen en vooral leer waarmee eerst de stabiliteit van het schild werd gewaarborgd. Buiten verloopt in de lengterichting een »spina« genoemde rip, met in het midden de schildknop, »umbo« die de daarachter aanwezige handgreep beschermd. De rand van het schild werd door metalen beslag versterkt. Tijdens de mars droeg de soldaat zijn schild, verpakt in een schildomhulsel met twee riemen vastgemaakt op de rug.
Door de grootte en gewicht was het »scutum« voor de inzet bij de ruiterij of voor drager van de standaard niet geschikt. Hier gebruikte men het kleinere en het meer vlakke ronde schild, de »parma«.
Het belangrijkste wapen van de Romeinse soldaten was het aan de rechter zijde gedragen halflange zwaard met een brede kling, de »gladius« dat in de 3e eeuw v. Chr. van de Keltiberiers werd overgenomen. De uit twee met leer overtrokken plankjes gemaakte zwaardschede was aan de randen met bladmetaal beslagen. Het “oordband”, het onderste einde waarin de punt van het zwaard kwam te liggen, was extra versterkt en vaak versierd. Twee zwaardbanden met ogen aan de rand waardoor door de riem werd aangetrokken, omsloten de zwaardschede. In de tijd van Augustus werd de militaire gordel gebruikelijkerwijze door deze riem aangetrokken. De centurios droegen het zwaard daarentegen aan de linker kant aan een schoudergordel, de »balteus«.
Aanvullend op het zwaard droeg de legionair aan zijn linker zijde de dolk, »pugio«, aan de gordel. De centurios droegen de dolk daarentegen aan hun rechter zijde omdat zij links al het zwaard droegen. Ook dit wapen was in de late 3e eeuw van de Iberische Kelten overgenomen. Net als de zwaardschedes waren ook de dolkschedes in de 1e eeuw n. Chr. eveneens bijzonder kostbaar versierd. Anders als bij de zwaardschedes die met drijf- en doorbraakbewerking met metaal waren versierd en hun bronzen oppervlak met vertinning net als goud en zilver doorschemerden, werden de dolkschedes met gravures, metalen inleggingen, gekleurd emaile en met zwart niëllowerk gedecoreerd. Hierdoor ontstonden er, ook in verbinding met zilver, levendige contrasten. Ondanks de klaarblijkelijke hoge prestigewaarde voor de soldaten, hadden de dolken geen taktische betekenis. Veelmeer diende hij als het laatste en vaak beslissende middel in het gevecht van man tegen man.
Het »pilum« was de zware werpspeer van de Romeinse legioenen. Hij bestond uit een houten stok met handgreep en met daaraan vastgemaakt ijzer. Ter bevestiging van het metaal aan het hout diende enerzijds een ijzeren koker die over het hout werd geschoven en daaraan werd vastgeklonken. De andere mogelijkheid was, het eindstuk van het ijzer in de vorm van de tong te smeden en deze zogenaamde doorn aan het verbrede einde van de houten steel te bevestigen en vast te klinken. Vanaf deze bevestiging hadxhet ijzer een vorm van een lange dunne ronde of vierkante staaf met aan het einde meestal pyramidevormig punt. Het hele wapen had daarmee een lengte van meer dan twee meter lang en woog tussen één en drie kilogram wat hun doeltreffendheid te goede kwam. Een goed getrainde Romeinse legionair haalde volgens schattingen een mogelijke wijdte van meer dan 26 meter. Daarbij is te bedenken dat vermoedelijk alleen de bijzonder hiervoor opgeleide soldaten in de voorste linies de pila wierpen en de te overbruggen afstanden in het gevecht eerder minder geweest zullen zijn.
Trof het pilum een vijandelijk schild en doorstootte dat, zo verboog de niet verharde ijzeren koker en maakte daarmee het hergebruik van de speer door de vijanden onmogelijk. Bovendien liet het verbogen pilum zich niet zo gemakkelijk uit het hout van het schild trekken zodat de vijand niet zelden zijn bescherming opgeven en zonder schild verder moest vechten. Het pilum was dus voor het begin van het gevecht een belangrijke wapen om de slagorde van de tegenstanders te doorbreken en ook eerste zware verliezen toe te brengen.
Boven de persoonlijke bewapening van iedere legionair waren er grotere stukken geschut die, door meerdere soldaten werden bediend, tot inzet kwamen. Vergelijkbaar met de af en toe gebruikte handboog, »manuballista«, waren er catapulten waarvan de kleinere »catapultae« bouten met ijzeren punten wegschoten terwijl de grotere »ballista« met stenen kogels en brandende projectielen ook tegen muren en andere vestingen werden ingezet. Vermoedelijk voerde sinds de tijd van keizer Augustus elke centurie in het veld een stuk licht geschut bij zich.