Inhoud midden
Belangrijkste inhoud
.Met sondes op prospectie in Kalkriese
Varus-Gesellschaft sponsert prospectieproject
Als het er om gaat belangrijke voornemens, die met een normale begroting niet zijn te verwerkelijken, toch om te zetten, wordt de betekenis van sponsoring duidelijk zichtbaar, zoals die door het Varus-Genootschap al sinds jaren voor de onderzoekingen in Kalkriese wordt omgezet. Ook de van 7 tot 11 oktober 2010 in het onderzoeksgebied van Kalkriese uitgevoerde prospectie, waarbij in totaal 26 vrijwilligers met hun metaalsondes elkaar ontmoetten, behoort tot één van de gesubsidieerde projecten. Op deze manier was het mogelijk een gebied van 16 ha ten westen van de vindplaats »Oberesch«, het tegenwoordige museumspark, in een lang weekend systematisch af te zoeken.
Omdat in de laatste jaren de terreinprospectie in het onderzoeksgebied van Kalkriese slechts door één persoon, de prospectietechnicus Klaus Fehrs van Kalkriese, kon worden verricht, waren de mogelijkheden, bekende vindplaatsen te controleren en bovendien ook nog nieuwe gebieden te ontsluiten, zeer beperkt. De tijden voor de terreinverkenning worden toch al gereduceerd door de weersomstandigheden en het agrarisch grondgebruik tot enkele weken per jaar. Grote leemtes op de verkennings- resp. de vondstverspreidingskaart van het ongeveer 30 km2 grote onerzoeksgebied bemoeilijken daarom de interpretatie van de gebeurtenissen tijdens en na de slag, bijvoorbeeld bij de reconstructie van de troepenbewegingen of bij de poging, het verblijf van de oorlogsbuit te onderzoeken. De mogelijkheid het vermoedelijke vondstareaal sneller te ontsluiten, kan door de verkenning met veel goed opgeleide vrijwilligers onder deskundige leiding worden uitgevoerd. Door de financiering van het Varus-Genootschap en de buitengewone inzet van veel geëngageerde vrijwilligers met sondes werd het voor de eerste keer mogelijk een dergelijke actie door te voeren om de verdere verspreiding van de vondsten in westelijke richting te onderzoeken.
Het verkende areaal, de »Luhresch«, ligt op de zandzone van de helling van de in noordelijke richting uitlopende Kalkrieser Berg. Een proefboring met een één meter lange boorstok gedurende de voorbereiding van de actie leverde een esdek van oneveer 80 cm op. Midden op het areaal verloopt in oost-westrichting een vlakke rug, daar is het esdek nog slechts 45 cm dik. Na het ploegen was hier helder natuurlijk zand te zien. Het oude opervlak schijnt tenminste gedeeltelijk in de geploegde laag te zijn opgegaan.

De te verkennen akker was net ingezaaid. De bezichtiging werd ons door het vriendelijke tegemoetkomen van de familie von Bar, Kalkriese, desalniettemin mogelijk gemaakt, waarvoor wij ons langs deze weg hartelijk willen bedanken. Voor de verkenning van het terrein werd het terrein met houten paaltjes die met kwadrantnummers waren voorzien, in 183 vakken van ongeveer 50 x 20 m (1000 m2) ingedeeld. De opmeting en het naderhand opmeten van de vondsten voerde de topograaf Wolfgang Remme uit. Hij werd door de opgravingstechnicus Axel Thiele van Kalkriese ondersteund, hem is ook de perfecte organisatorische voorbereiding van de hele actie te verdanken. De drie met detectoren uitgeruste groepen werden zo verdeeld, dat steeds twee even grote groepen (max. 14 zoekers) dondersdag/vrijdag resp. zondag/maandag konden worden ingezet. De zaterdag was voor voordrachten en discussies voorgezien.
Om persoonlijke factoren (bijvoorbeeld ervaring met de apparatuur, uitrusting met apparatuur) uit te sluiten, kreeg iedere persoon, die met een sonde was uitgerust, een kwadrant voor het systematisch zoeken door loting toegewezen. De zoekers oriënteerden zich bij de verkenning naar de zaadrijen op de akker en de eigen voetsporen. De positiebepaling van de zoekapparatuur heeft een diepte van ongeveer 20 cm, zo dat elk metalen object relatief snel met een kleine schop kan worden geborgen. Vooral Romeinse, préhistorische en middeleeuwse vondsten maar ook voorwerpen die niet met zekerheid waren te klassificeren, werden direct op de vindplaats in een zak gedaan, met een kunststoflepel op de vindplaats gemarkeerd en vastgelegd alsmede na de expertise met de tachymeter ter plekke opgemeten. Zo kunnen met behulp van de coördinaten vindkaarten met exacte verspreidingen van de vondsten worden gemaakt. De enorme hoeveelheid aan vondsten uit de nieuwe tijd werd daarentegen per kwadrant in een grote zak verzameld. Was een kwadrant helemaal afgezocht dan werd de kwadrant met het daarop volgende nummer onderzocht.
Bij de prospectie werden belangrijke inhoudelijke en methodische resultaten geboekt alsmede bovendien veel nieuwe contacten geknoopt. Drie gevonden Romeinse munten breiden nu het verspreidingsbeeld van de vondsten naar het westen uit in een gebied, dat tot nu toe nog een witte vlek op de wetenschappelijke kaarten was. Tot deze drie munten behoren een denar (zilveren munt) van Augustus van het type Gaius/Lucius, de laatste geslagen munten in Kalkriese en twee gehalveerde “Asse” (koperen munten), waarvan tenminste één tot het type Lugdunum kan worden gerekend en een tegenstempel heeft. Bovendien werd een zeldzame bijl uit het Eindneolithicum en een koperen bijl uit de vroege Bronstijd geborgen. Het maakt in één slag de betekenis van de nederzettingsgeschiedenis van het gebied vanaf de jonge Steentijd duidelijk. Uit de tijd van de Dertigjarige Oorlog stamt wellicht een zilveren adelaarsschelling, die in het Nederlandse Zwolle ten tijde van de regering van keizer Rudolf II (1576-1612) werd geslagen. Zoals op een akker niet anders is te verwachten, werden er veel vondsten van non-ferromateriaal uit de nieuwe tijd geborgen: onder andere vingerhoeden, loodjes, wasknopen, spijkers en munten. Een groot deel hiervan is bij het mesten op de akker terecht gekomen of bij het werk op het veld verloren gegaan.

Naast het opsporen van vondsten moeten de opsporingsmethoden in Kalkriese worden geëvalueerd. Door de eeuwenlange bewerking van het land is aan de oppervlakte zeer veel ijzer uit de nieuwe tijd verloren geraakt. Daarnaar te zoeken en ze te bergen, zou veel extra tijd hebben gekost. Daarom werden de apparaten op non-ferromateriaal ingesteld. Of deze methode tot het verlies van relevante objecten leidt, moet aan de hand van uitgekozen arealen worden nagegaan. Daarom werd kwadrant 11, waarin op de eerste dag de denar werd geborgen, ook nog eens extra naar ijzer afgezocht. Het resultaat van deze actie was ontnuchterend. Het waren 95 ijzeren objecten, daaronder spijkers, resten van patronen, onderzetters, bouten, draadresten en andere dingen, die alle als modern zijn te beschouwen. Het uithoudingsvermogen van de zoekers werd op de proef gesteld, omdat ze eigenlijk om de paar centimeter ijzerschroot borgen. Daarom is pragmatisch vast te stellen, dat de zoekapparatuur in het onderzoeksgebied van Kalkriese bij de prospectie op weergave van non-ferromateriaal moeten worden ingesteld, omdat anders vanwege enorme hoeveelheid tijd op grote arealen nauwelijks voortgang is te boeken. De opgravingssectoren worden daarentegen vanzelfsprekend zoals tot dusver ook naar ijzer onderzocht, temeer dat onder de met modern metaal gecontamineerde ploeghorizont liggen. Bovendien is te onthouden, dat afhankelijk van de techniek van de zoekapparatuur bij het zoeken van het non-ferromateriaal toch al niet alle ijzerdelen en dan vooral massieve en ronde voorwerpen kunnen worden gefiltreerd. Daarmee wordt automatisch een bepaald deel geborgen, dat als controle kan dienen. In ons geval was dit over het gehele areaal bezien toch een gevulde emmer van 10 liter vol met moderne ijzeren vondsten.


