Inhoud midden
Belangrijkste inhoud
.Van het terrein aan het bureau
Uitwerking van de opgravingsresultaten
Na de veelvuldige activiteiten in het jaar 2009 is het voor de afdeling Archeologie in het Museumspark Kalkriese rustiger geworden – weliswaar alleen voor wat de werkzaamheden in het terrein betreffen. Nu moeten de opgravingen van de laatste jaren worden uitgewerkt en vooral de spreiding van de Romeinse vondsten op de Oberesch worden geanalyseerd, om een eindrapport over het door de VW-Stichting 5 jaar lang financiëel gesteunde project als publikatie te kunnen indienen.
Gedurende de opgravingsmedewerker Johannes Füchtenbusch de préhistorische vondsten inventariseert, wast, opschriften aanbrengt en verpakt en in het nieuwe magazijn in het bezoekerscentrum inruimt, houdt de opgravingsmedewerker Axel Thiele zich bezig met het beheer van kaarten en foto’s van de laatste opgravingscampagnes op de Oberesch; deze moeten worden gecontroleerd, bewerkt en systematisch worden opgeslagen. De intussen bijna uitsluitelijk digitaal voorliggenden gegevens heeft de prospectietechnicus Klaus Fehrs nodig, om de voor de wetenschappelijke uitwerking benodigde kaarten te maken. In de uitwerking wordt bovendien de informatie over de Romeinse vondsten van de opgravingssectoren 23 tot 39 ingevlochten, die door dr. Joachim Harnecker intussen zijn gedetermineerd en in een catalogus zijn opgenomen.
Veel waarnemingen en vragen doen zich bij de kartering van de verschillende vondstgroepen uit de opgravingssectoren 1-22 op, die in de catalogus »Kalkriese 4« door Joachim Harnecker zijn voorgesteld. Zo konden opmerkelijke verspreidingspatronen bij de beslagen van de schildranden worden vastgesteld: Zij bevinden zich uitsluitelijk bij de wal en het is te vermoeden, dat de schilden door de plunderingen van het slagveld door de Germanen hier werden verzameld en de metalen delen zijn gesloopt. Deze tot nu toe in een gedeelte van de Oberesch mogelijke waarneming heeft zich intussen ook op andere opgravingsarealen verregaand laten bevestigen.
Vergelijkbare spreidingen vertonen ook de talrijke verzilverde ijzeren spijkers met een paddestoelachtige kop die blijkbaar eveneens werden geplunderd en gesloopt. Hier is de vraag te stellen of deze spijkers misschien ook van de schilden stammen, die voor het vastmaken van de beugels zouden kunnen hebben gediend. Echter ontbreken tot nu toe vergelijkbare overeenkomsten uit de Romeinse kampen en nederzettingen en is een afsluitende beoordeling nog niet mogelijk. Maar misschien dragen de bevindingen uit Kalkriese tot opheldering van deze en vergelijkbare vragen bij, omdat op dit slagveld andere voorwaarden om te overleven heersten dan in de kampen of ook graven.
Van bijzonder belang bij de huidige karteringswerkzaamheden is naast de spreiding van de bepaalde groepen van vondsten de geschiedenis van de wal. Het gaat erom, de verweringsprocessen van de verschillende sectoren van de wal beter te begrijpen en te ontdekken of de wal al gedeeltelijk tijdens de slag door de Romeinen, die bressen voor een doorbraak wilden slaan, werd omvergehaald. De geringe conservering van het materiaal van enige sectoren van de wal bemoeilijkte nu en dan de interpretatie, echter heeft de gedetailleerde kartering van de vondsten en de projectie op de profieltekeningen reeds einige vragen beantwoord. Zo kon de breedte van de wal aan de grond met ongeveer 3,5 m nauwkeuriger worden bepaald.
In de arealen met rijke vondsten werd duidelijk, dat artefacten door landbouwwerkzaamheden in de middeleeuwen van de oorspronkelijke ligging in hoger gelegen bodemlagen zijn terrecht gekomen. Deze waarneming sluit niet uit, dat Romeinse voorwerpen, die in het esdek werden ontdekt, waarschijnlijk meestal slechts op kleine schaal zijn verplaatst en in geen geval eerst samen met de plaggen van andere plaatsen naar de huidige vindplaats moeten zijn getransporteerd. Dit is een belangrijk aspect voor de beoordeling van de vondsten aan de oppervlakte, waarbij het moeilijk was te bepalen of ze inderdaad een primaire vindplaats in het kader van de gevechtshandelingen markeren of dat het echter slechts om door de plaggenbemesting verplaatst vondstmateriaal gaat.
Een nauwkeurige kartering van vondsten in de opgravingsector 30, die al in 1999/2000 werd opgegraven, heeft nieuwe informatie over een bevinding in een voor het eindpunt van de wal gelegen gracht opgeleverd. Hier was op grond van 28 grote ijzeren spijkers en 4 hoekbeslagen van een deksel van een kist nagewezen, die blijkbaar in het geheel in de gracht was terecht gekomen, waarvan dan de houten delen verweerden, terwijl de ijzeren delen na het dempen van de gracht »in situ«, op de originale plek waren blijven liggen. Rekening houdend met het nivellement van elke vondst kon nu worden vastgesteld, dat het deksel iets schuin in de gracht heeft gelegen. Een opéénhoping van stenen overwegend aan één kant van het deksel werpt echter nog enige vragen op: De eerste indruk, dat de stenen vanwege de schuine ligging over het deksel zijn gegleden en zo aan de diepst gelegen kant zijn terecht gekomen, kan niet worden bevestigd, want de stenen lagen onder de ijzeren delen van het deksel van de kist. Waarschijnlijk werden de gevonden voorwerpen – in de omgeving van het deksel bevond zich een groter aantal andere spijkers, die oorspronkelijk aan organische dragers waren bevestigd – samen met de stenen doelbewust in de gracht gegooid, om deze te dempen. Of het de Romeinen waren, de ter ontlasting van de aanvallen tegen de wal de gracht dempten, omdat de gracht voor hen een extra hindernis vormde, is nog steeds niet duidelijk. Misschien waren het echter ook de Germanen, die na de slag – mogelijkerwijze reeds bij de plunderingen – deze diepe gevaarlijke plaats wilden beveiligen; een langzaam toevloeien met geërodeerd bodemmateriaal kan in elk geval vergaand worden uitgesloten.
Deze voorbeelden laten zien hoe noodzakelijk een zorgvuldige documentatie van de bevindingen tijdens de opgraving is; slechts zo bestaat de mogelijkheid in het verloop van de evaluatie opkomende gedetailleerde vragen verder na te gaan.


