Inhoud midden
Belangrijkste inhoud
.Natuurwetenschappen
Trefwoord »interdisciplinair onderzoek«
Bij opgravingen komt de archeoloog snel aan het punt waar hij met de grensgebieden van de naburige wetenschappen wordt geconfronteerd. Juist in Kalkriese is interdisciplinaire samenwerking met de collega’s van de verschillende natuurwetenschappelijke disciplines bijzonder zinvol.
Door de eeuwenlange uitoefening van de akkerbouw met plaggenbemesting beschikt de Oberesch over bijzondere bodemverhoudingen. De 14e eeuwse boeren staken graszoden en gebruikten ze als strooisel in de stallen. Daarna werden de in de stal met uitwerpselen vermengde plaggen als mest op het magere akkerland opgebracht. Op deze manier ontstond in Kalkriese in de loop van de tijd een tot één meter dikke es waaronder het historische oppervlak behouden is gebleven.
De terreingesteldheid van de plaats van 2000 jaar geleden onderzochten bodemkundigen van de universiteit Oldenburg. Ze konden na het bodemonderzoek en de boringen het relief van het terrein van de Oberesch in de tijd van Augustus gedeeltelijk reconstrueren. Het oppervlak was in die tijd veel onrustiger en onregelmatiger.
Het onderzoek van de botten van de muildieren door archeozoölogen van de universiteit Tübingen leverde verrassend nieuwe inzichten op. Aan de hand van de vorm van de tanden en de samenstelling van het tandglazuur kon worden bewezen dat het in Kalkriese verongelukte muildier nog in de zomer daarvoor in het Middellandsezeegebied moeten hebben gegraasd. Dit betekent dat de verzorging van de in het noorden gestationeerde Romeinen blijkbaar beter en vooral sneller functioneerde, als men vermoedt. Ook laat de toestand de van botten zien dat zij enkele jaren aan de oppervlakte moeten hebben gelegen voordat zij met grond werden bedekt. Een omstandigheid die goed bij het oorlogsgebeuren in 9 n. Chr. en de begravenis van de toen gesneuvelden door Germanicus en zijn legioenen in 16 n. Chr. past. Bij de haastige begravenisactiviteiten - opnieuw bedreigt door de Germanen - verzamelden de Romeinse soldaten alle zichtbare botten en deponeerden ze in kuilen.
De in de bottenkuilen gevondenen menselijke gebeenten worden door anthropologen van de universiteit Göttingen onderzocht. Zoals te verwachten was, stammen de meeste botten van jonge mannen die goed gevoed en gezond waren. Daarnaast waren er echter ook aanwijzingen op minstens één vrouw die misschien tot omvangrijke tros van de Romeinse legioenen hadden behoord. Enkele skeletten vertonen bovendien niet genezen verwondingen die tijdens het gevecht zijn ontstaan en voor een deel direct tot de dood van de getroffenen moeten hebben geleid.
Voor de toekomst zijn er verdere gemeenschappelijke onderzoeken met andere vakinstellingen gepland.


