Font size

Prospectie

De terreinprospectie

In de afgelopen jaren is het steeds duidelijker geworden, dat we in Kalkriese niet met een kleinschalig gevecht te maken hebben, maar met een uitgestrekt vechtareaal waar de Romeinse troepen tijdens hun mars steeds opnieuw aangevallen werden. Het terrein strekt zich uit over meer dan 30 km2 , ongeveer het gebied tussen de Hase en de Hunte en tussen de Kalkrieser Berg en de Große Moor. Deze informatie hebben wij te danken aan de terreinprospecties die sinds 1987 – in werking gesteld door de in de zomer van 2014 overleden Tony Clunn – door medewerkers van het onderzoeksproject Kalkriese worden uitgevoerd.

In de beginperiode liepen er nog twee medewerkers met een metaaldetector over het veld, altijd in overeenstemming met de grondbezitters en pachters van het terrein. Sinds jaren is Klaus Fehrs als prospectie-technicus alleen verantwoordelijk voor het veldwerk. Gezien de reusachtige expansie van het werkgebied is dat voor een enkel persoon niet alleen een ‘levenslange’ bezigheid, maar het systematische veldwerk houdt ook in dat iedere vierkante meter zorgvuldig onderzocht moet worden. De vondsten moeten systematisch worden geborgen. Daarna volgen de metingen van de objecten, de invoer in het gegevensbestand, het overdragen van gegevens aan de verantwoordelijke erfgoedinstanties en de analyse van de vondsten. Omdat veel grond tegenwoordig bijna het hele jaar door verbouwd wordt, beperkt dat de werktijd enorm. Wanneer het in de winter, de beste tijd voor prospectiewerk, veel vriest, regent of sneeuwt, kan er in dat seizoen al nauwelijks werk worden uitgevoerd.

Om het terrein van het strijdgebied zo nauwkeurig mogelijk te onderzoeken, moeten er nog veel vierkante meters uitgekamd worden. Bovendien moeten de bekende vindplaatsen vaak heronderzocht worden, omdat er regelmatig tijdens bouwwerkzaamheden nieuwe vondsten aan het licht komen. Tijdens het onderzoek is het bovendien belangrijk ook gebieden te onderzoeken waarvan men aanneemt dat daar nauwelijks tot geen materiaal verborgen ligt. Voor de wetenschappelijke analyse is de informatie over het ontbreken van vondsten namelijk ook van belang. In het kader van het onderzoek van de „conflict landscape“, dat zich o.a. bezighoudt met de Germaanse bevolking en infrastructuur en diens uitwerking op de strijd en de mars van de Romeinen, was het noodzakelijk om ook het gebied langs de helling en aan de top van de Kalkrieser Berg te onderzoeken. Voor deze werkzaamheden heeft Klaus Fehrs inmiddels ruime ondersteuning van vrijwilligers gekregen. Zij hebben ondanks de af en toe barre weersomstandigheden regelmatig geholpen bij het zoeken naar Romeinse opgravingen op bekende en nieuwe vindplaatsen binnen het strijdgebied. Ook zochten zij op de berg bij Venne naar Romeinse vondsten, vooral ook naar keramiek en stenen gereedschap als aanwijzing voor prehistorische vestigingen in dit gebied. Hiermee zou o.a. duidelijk moeten worden of er in de tijd van de slag inheemse nederzettingen in het gebied aanwezig waren, en of er sporen van strijden te vinden zijn, die we tot nu toe alleen van de rand van het Moor kennen. Dit werk is een zeer moeizame bezigheid, het veld heeft vaak grote afmetingen – en natuurlijk wordt het werk pas echt leuk, wanneer er ook een »echte« vondst tussen zit. Ondanks de zeldzaamheid van Romeinse, en het vaak uitblijven van prehistorische vondsten op de vele akkers, bleven de helpers toch doorgaan, wat voor het archeologisch onderzoek van grote waarde is. Op deze manier kunnen wij er met steeds grotere waarschijnlijkheid vanuit gaan, dat er op de Kalkrieser Berg geen sprake is geweest van Germaanse nederzettingen en omvangrijke gevechten.

De relevantie van de prospectie is niet alleen afhankelijk van de hoeveelheid opgravingen, maar van het systematisch onderzoeken van het grondoppervlakte, ook als dat op het eerste gezicht geen succes oplevert. Voor het beantwoorden van de wetenschappelijke vraagstellingen en de beoordeling van het totale onderzoek kan een ‘vondstloos’ gebied uiteindelijk net zo belangrijk zijn. Onze dank gaat dank ook uit naar de vrijwilligers voor hun onvermoeibare inzet en niet zozeer de door hun ontdekte vondsten.