Font size

Archeologie, opgraving en wetenschap

20 jaar archeologie in Kalkriese

In 1987 begint de geschiedenis van de opgravingen in Kalkriese met de vondst Romeinse munten en in 1988 van drie looden slingerkogels door de gepassioneerde amateurarcheoloog Tony Clunn. Na afspraak met de stad- en districtsarcheoloog Prof. Dr. Wolfgang Schlüter volgden tot 1989 verdere succesvolle observeringen van vondsten. In 1989 werd dientengevolge met systematische opgravingen in het perceel Oberesch begonnen.

Snel bleek dat de vindplaats van de akker tot in het bos reikte. Bijzondere aandacht trok in 1990 een 15 m brede en ongeveer 40 cm hoge donkere verkleuring in de ondergrond die een overblijfsel bleek te zijn van een bovengronds niet meer zichtbare wal. Hieraan sloten zich verdere werkzaamheden aan. De wal was blijkbaar met graszoden aangelegd en werd aan de zuidkant door een gracht geflankeerd. Met de onder de wal begraven Romeinse munten en fragmenten van een militaire uitrusting ging het hier volgens hem om een bouwwerk uit de tijd van keizer Augustus.

Sensationele Vondst– Het Masker

In 1990 werd bij een proefopgraving een heel opmerkelijke vondst gedaan.De vormloos gecorrodeerde vondst ontpopte zich na de restauratie als een gezichtsmasker van een Romeinse ruiterhelm die vroeger met zilver bladmateriaal was overtrokken.
Zowel onder de wal als ook in de naburige omgeving waren er sporen van préhistorische bewoning aanwezig die begonnen met relicten uit de Steentijd tot de paalgaten van de voorraadsgebouwen uit de Voorromeinse IJzertijd.

Veel vondsten waren vooral op de plaatsen waar de wal al in de antieke tijd was weggegleden. Daar vond men ook het skelet van een muildier met resten van het hoofdstel. Ook werden er botten van paarden gevonden en een amulet dat – aan het paardentuig was vastgemaakt - onheil afweren moest.

Menselijke resten – Die Knochengruben

Al in 1994 werd ten noorden van de wal de eerste en grootste kuil gevonden waarin botten van mens en dier waren gedeponeerd. In de daarna volgende jaren werden zeven verdere kuilen met botten gevonden waarbij het zich mogelijkerwijze om nooddurftig doorgevoerde begravenissen gaat, zoals ze door Tacitus voor 16 n. Chr. werden beschreven.

In het kader van de bouwwerkzaamheden aan het museum en het park was in 1999 en in 2000 onderzoek van het bouwterrein noodzakelijk. Daarbij kon het verdere verloop van de wal worden vervolgd. Verrassend wordt er nog een bijna geheel skelet van het muildier gevonden. Het dier had zijn nek gebroken en was spoedig na zijn dodelijke val door delen van de wal bedekt.

In 2003/2004 werden in het veld voor de wallen nog twee bottenkuilen onderzocht. Onder deze graven ontdekten de archeologen kuilen die nog ouder zijn. Waarschijnlijk waren deze tijdens de Varusschlacht open want uit de aarde werden ook Romeinse voorwerpen opgegraven, zoals twee gouden munten en een exemplaar van zilver. Mogelijk waren hier door de Germanen valkuilen gemaakt om de doortocht van de Romeinse troepen te verhinderen. Bij verdere opgravingen werden de uiteinden van de wallen in het oosten en westen nader onderzocht.De opgravingen rond de wallen leverden nieuwe inzichten op over de strategische betekenis van de Germaanse verdedigingswerken en de verspreide aanwezigheid van Romeinse vondsten in het gebied van onderzoek.

Een verslag over de eerste vijftien jaren van de opgravingen werd in 2007 gepresenteerd in de uitgave »Kalkriese 3«.

Grote Opgraving – 2000 Jaar Varusschlacht

Onmiddellijk na het einde van de grote evenementen rond »2000 jaar Varusslag« begon de Opgravingscampagne 2009. In twee secties werden opgravingen gedaan: een ten westen van de »landschapssectie« en een in de veronderstelde richting van de wal, een beetje verder naar het zuidwesten. De eerste sectie was zo groot omdat de Romeinse overblijfselen zeer verspreid werden gevonden. Ook wilde men sporen onderzoeken van een al begin 1990 ontdekte Romeinse nederzetting uit de IJzertijd. Onderzoek in de sectie rond de wal moest beter inzicht geven in de exacte richting en aard van de Romeinse ontdekking in dit gedeelte van het strijdgebied. Een ander hoogtepunt in 2009 was het internationale karakter van het opgravingskamp: 20 jonge mensen uit Europa, Turkije en de Verenigde Staten namen aan de opgravingen deel.

Conflict Landscape

In 2010 ging het team van archeologen van het kamp aan de schrijftafel: kaarten van de laatste opgravingen werden verwerkt, vondsten zijn beschreven en een nieuwe publicatie werd opgesteld met de resultaten van de afgelopen jaren.

In 2011 en 2012 probeerden de archeologen op twee opgravingslocaties de militaire actie in Kalkriese in verband te brengen met grootschalige landschapsomstandigheden. Hoe werd het landschap in het jaar 9 na Christus gebruikt? Hoe intensief hebben de Germanen het gebied gekoloniseerd? Hoe zagen de wegen er uit? Waar is de buit uit de Varusslag gebleven? Deze belangrijke vraagstukken moeten verder worden onderzocht. Behalve de infrastructurele conditie was voor de wetenschappers de interpretatie van de Romeinse vondsten van groot belang. Zij trachtten vast te stellen of de objecten moeten worden beschouwd als overblijfselen uit langdurige nederzettingen of als een verwijzing naar de gevechten in die secties. Dit onderzoek werd samengevat in de benaming »Conflict Landscape«.

2013 concentreren de archeologen uit Kalkriese en Osnabrück hun onderzoek op een Germaanse nederzetting, die gesitueerd is op ongeveer twee kilometer ten westen van Oberesch, de belangrijkste archeologische site van de strijd en het huidige Museumpark. Restanten van een Germaanse huis dat hier heeft gestaan, kan wellicht vroege aanwijzingen over de tijd van de Varusslag prijsgeven. Daarnaast werden er diverse Romeinse koperen munten en een Romeinse fibula ontdekt. Hoe deze vondsten destijds in deze nederzetting  terecht zijn gekomen – als gevolg van handel of als een nalatenschap van het Romeinse leger – blijft spannend. Het zal de wetenschappers ongetwijfeld nog een tijd bezighouden.