Font size

Natuurwetenschappen

Trefwoord »interdisciplinair onderzoek«

Tijdens opgravingen bereikt de archeoloog al snel het punt waarop hij geconfronteerd wordt met werkvelden van andere wetenschappen. Met name in Kalkriese is de interdisciplinaire samenwerking met collega’s uit verschillende natuurwetenschappelijke disciplines bijzonder zinvol en wordt daarom al vanaf het begin van de opgravingen in de praktijk gebracht.

De bodemwetenschappers

Door het eeuwenlang bedrijven van landbouw met plaggenbemesting, beschikt de bodem van Oberesch over bijzondere voorwaarden. Al sinds de middeleeuwen legden de boeren graszoden aan en gebruikten deze als stro voor de stallen. Vervolgens werden de inmiddels met mest gemengde plaggen over de akkers uitgestrooid. Op deze manier ontstond er in Kalkriese in de loop der tijd een tot wel één meter dikke laag es, waaronder op verschillende plekken het historische grondoppervlak bewaard gebleven is.

De bodemgesteldheid van 2000 jaar geleden werd onderzocht door bodemwetenschappers van de Universiteit Oldenburg. Zij konden na bodemonderzoek en boringen het reliëf van de Oberesch uit de Romeinse tijd gedeeltelijk reconstrueren. Het oppervlak was rond deze tijd een stuk onrustiger en onregelmatiger. Bodemwetenschappers van de universiteit Oldenburg en de Hochschule Osnabrück  houden zich op dit moment bezig met de vraag, wanneer er op de Kalkrieser Berg bodemerosie heeft plaatsgevonden en in welk opzicht deze lagen zich van es onderscheiden.

De bodemwetenschappers hebben bovendien in de afgelopen jaren geprobeerd, met behulp van magnetische prospecties de archeologische vondsten onder de es te lokaliseren. Deze techniek wordt al een aantal jaren succesvol ingezet bij het zoeken naar archeologische vondsten in gebieden zonder eslaag. Met behulp van een magneet kunnen kuilen, graven of zelfs muurresten gelokaliseerd worden, zodat men ook zonder opgraving iets over de vestigingsstructuren of grafvelden te weten kan komen. In de regio rondom Kalkriese blijkt echter, dat de es deze natuurwetenschappelijke techniek sterk in de weg staat; zonder opgravingen lukt het zelden om inzicht in de archeologische vondsten te krijgen.

Botten

Het onderzoek van de muildierbotten door archeozoölogen van de universiteit Tübingen leverde verrassende inzichten op. Aan de hand van de ontwikkeling van de tanden en de samenstelling van het tandglazuur kon bijvoorbeeld worden achterhaald, dat een in Kalkriese gestorven muildier nog de zomer daarvoor in het Middellandszeegebied moet hebben gegraasd. Dit houdt in dat de verzorging van de in het noorden gestationeerde Romeinen duidelijk beter en vooral sneller functioneerde dan voorheen werd aangenomen. De menselijke beenderen worden onderzocht door antropologen van de universiteit Göttingen. De botten zijn overwegend afkomstig van goed gevoede mannen tussen de 20 en 40 jaar, vermoedelijk Romeinse soldaten. Daarnaast waren er ook aanwijzingen van tenminste één vrouw, die misschien wel tot de Romeinse legioenen behoorde. Een aantal schedelbotten verwijst bovendien naar niet genezen verwondingen, die tijdens de strijd ontstaan zijn en waarschijnlijk direct tot de dood van het slachtoffer moeten hebben geleid.

De meeste botten werden gevonden in kuilen, de zogenaamde bottenkuilen. De toestand van de gevonden botten doet vermoeden dat ze enkele jaren aan de oppervlakte moeten hebben gelegen, voordat ze in de grond zijn gedeponeerd. Dit sluit goed aan bij de gebeurtenissen in het jaar 9 en de teraardebestellingen van de gesneuvelden door Germanicus en zijn legioenen in het jaar 15. Tijdens de haastige teraardebestellingen – opnieuw bedreigd door Germanen – verzamelden de Romeinse soldaten alle nog niet compleet vergaande botresten en deponeerden deze in kuilen. Bij veel botten was waarschijnlijk niet meer te achterhalen of deze van mensen of dieren afkomstig waren; daarom zijn er in de tot nu toe acht bekende bottenkuilen, ook wel te bestempelen als massagraf voor de gesneuvelden, altijd een mengeling van mensen- en dierenbotten aangetroffen (bijna uitsluitend van muildieren en een aantal paardenbotten).

Botanische resten

Botanische resten zijn in Kalkriese zelden, omdat organische materialen in de zandbodem snel vergaan. Losse, verbrande graankorrels uit de voorraadkuilen van een nederzetting uit de ijzertijd zijn onderzocht door plantkundigen van de universiteit Hannover. Zij geven uitsluitsel over de destijds in de omgeving verbouwde graangewassen (bijv. speltgerst en eenkoorn). Resten van erwten- en haverstro en van wijfjesvaren en waterweegbree, die bij een omgekomen muildier werd aangetroffen, zijn behouden gebleven dankzij de invloed van koperoxide. De resten konden door vakmensen worden geanalyseerd en het lijkt aannemelijk dat het op kleigrond doorgevoerde herstel in de zomer en het vroege najaar moet hebben plaatsgevonden.

De natuurwetenschappelijke onderzoeken hangen altijd af van de vraagstelling en de archeologische bevindingen tijdens een opgraving en de uitkomsten van de analysen. Mogelijk worden er in de toekomst ook andere vakrichtingen bij betrokken, zoals bijv. specialisten binnen de archeometrie voor de
analyse van metaalsamenstellingen.