Font size

De vestiging bij de »Oberesch«

Een archeologisch hoogtepunt

De eerste opgravingen vonden plaats op de kavel »Oberesch«. Weliswaar is bijna de gehele vindplaats bedekt met es, een voor bemesting gebruikte middeleeuwse bodemstructuur in de vorm van graszoden (»plaggen«). Toch bevonden er zich, naast losse, deels verplaatste vondsten op het huidige grondoppervlakte, ook veel Romeinse munten en militaire antiquiteiten op de oorspronkelijke plek onder het es. Een lange zoekactie bracht belangrijke informatie over de oorzaken voor deze ‘regen aan vondsten’ aan het licht. Naast de Romeinse opgravingen, zoals het indrukwekkende masker van een gezichtshelm, werd er nog een veelzeggende vondst gedaan; een opstelling, die aan de hand van bodemkundige analysen als een door mensenhanden geschapen verdedigingswerk werd geïnterpreteerd.

Werd de wal aanvankelijk als Romeins complex geïnterpreteerd, zo wordt inmiddels op basis van vondsten, het verloop en de bouwwijze van het bouwwerk, van een versterking uitgegaan die de Germanen als hinderlaag tegen de romeinse troepen hadden gebouwd. Vermoedelijk werd de vesting geruime tijd zorgvuldig gepland en vlak voor het arriveren van de Romeinen gebouwd. De samenstelling van het basismateriaal en de wijze van beschadiging doen aannemen, dat de Romeinse eenheden succesvol aangevallen en verslagen werden.

De datering van de vondsten uit de tijd rond de geboorte van Christus en de vele munten uit het jaar 7-9 n. Chr. maken het verband met de Varusslag meer dan waarschijnlijk.

Op basis van talrijke opgravingen, waarbij tot 2014 ongeveer 12.000 m2 van het oppervlakte kon worden onderzocht, hebben we ondertussen kennis vernomen van een ca. 400 meter lang, slagvormig verdedigingswerk, dat zich over de helling boven de Oberesch uitstrekt. Het inmiddels minder dan een halve meter lange, maar over ruim 10 meter verspreide bouwwerk, was oorspronkelijk ongeveer 3 meter breed en 2 meter hoog. Als bouwmateriaal werd er zand en graszoden, en af en toe ook kalksteen, gebruikt – materiaal dat in de naaste omgeving met een beperkte arbeidsintensiviteit kon worden gewonnen. Minstens een deel van de wal werd waarschijnlijk versterkt door een houten borstwering aan de voorkant.

Achter de wal zijn er grachten en groeven aangelegd; kennelijk dienden deze voor het ophalen van oppervlaktewater, dat in de groeven kon worden opgevangen om zo het overspoelen van de relatief wankele wand te verhinderen. Sparingen en poorten in de wal maakten aanvallen van de Germanen mogelijk, maar zorgden ook voor een snelle terugtrekking wanneer de Romeinen probeerden de vesting aan te vallen. Omdat de vesting aan de oost- en westkant in een sloot eindigde, troffen de Germanen voorzorgsmaatregelen die vermoedelijk een aanval van de Romeinen moesten verhinderen; er werden voor de wal korte grachten van ca. 2 m breed en 1 meter diep aangelegd om ongewenste toenaderingen te vermoeilijken.

Ook al wijzen een aantal bouwkundige details op Romeinse technieken, de Germaanse oorsprong is hier een feit. Tenslotte waren de Germanen opgeleid binnen de Romeinse troepen; hun kennis heeft mogelijkerwijze invloed gehad op de bouw van de vesting.