Font size

Zoektocht naar de plek

De Varusslag raakte in de vergetelheid. Veel historische bronnen gingen verloren, een aantal vonden een plek in de kloosterlijke bibliotheken – ondanks zorgvuldig bewaard en gekopieerd toch nauwelijks gelezen.
Hier werden ze vanaf de 15de eeuw herontdekt door vindingrijke geleerden en snel daarna gepubliceerd: in 1471 een kort overzicht van de geschiedenis gebaseerd op het werk van Titus Livius van Lucius Annaeus Florus, in 1515 Annales van Publius Cornelius Tacitus, in 1517 de Romeinse geschiedenis van Velleius Paterculus, in 1520 Over het leven van de keizers van Gaius Suetonius Tranquillus en in 1548 de Romeinse Geschiednis van Cassius Dio Cocceianus.

Weliswaar beschreven de klassieke schrijvers de desastreuze slag, maar waar dit gebeuren zich had afgespeeld verraadden ze de lezers niet. De door Tacticus vermelde saltus teutoburgiensis hielp ook niet veel verder, ook Tacticus leverde geen aanvullende mededelingen over de locatie. In 1627 doopte de pastoor en kroniekschrijver Johannes Piderit (1559 – 1637) het bosgebied bij de Lippe resoluut om tot het Teutoburgerwoud en prinsbisschop Ferdinand von Fürstenberg (1626–1683) zette in 1669 deze naam samen met »Teutoburgium« voor Detmold op de bisdom-kaart. Het Teutoburgerwoud was geboren! Niet veel later was iedereen ervan overtuigd, dat de slag op deze plek moest hebben plaatsgevonden.

Herkomstonderzoekers en geleerden startten een onderzoek naar de Varusslag. In de loop der eeuwen kwamen er rond 700 locatievoorstellen naar boven, maar geen enkele kon de tijdgenoten overtuigen.

Ook in de regio rondom Osnabrück werd het thema interessant, temeer omdat men hier vanaf de 17de eeuw tijdens veldwerk Romeinse munten werden gevonden. Al vanaf de 18de eeuw had men het vermoeden, dat de munten tijdens de Romeinse krijgstochten onder leiding van keizer Augustus hier konden zijn beland. De Osnabrücker staatsrechter en filosoof Justus Möser (1720–1794) behoorde samen met zijn studiegenoot Carl Gerhard Wilhelm Lodtmann (1720–1755), de Osnabrücker advocaat Johann Eberhard Stüve (1715–1798) en de directeur van het gymnasium Karls Ludwig Friedrich Knoke (1844-1928) tot de belangrijkste vertegenwoordigers. 

Zoektocht naar de plek, 2. Absatz

Een eeuw later mengden zich ook gerenommeerde wetenschappers in de discussie, zoals de historicus Theodor Mommsen. Hij gaf in 1884 de muntkundige Julius Menadier de opdracht de munten uit Kalkriese onder de loep te nemen. Menadier publiceerde zijn bevindingen onder de veelzeggende titel »De numismatische nalatenschap van de varianische legioenen«. Mommsen bracht in 1885 de studie »De plaats van de Varusslag« uit. Hij sloot af met: »Mijns inziens behoren de in en bij Barenau gevonden munten tot het nalatenschap van de in het jaar 9 n. Chr. in het Venner Moor opgerichte en ten gronde gegane krijgsmacht van Varus«. Gezien het gebrek aan wapens en koperen munten, het typische soldatengeld, bleef ook deze stelling een van vele aannames.

De zoektocht richtte zich op het oostelijke Sauerland, het zuidoostelijke Münsterland, het gebied rondom Detmold, waaronder het Teutoburgerwoud, en het lippische Bergland tot aan de Wezer. »700 theorieën – maar geen enkele leidt naar het slagveld« – concludeerde de Westfaalse archeoloog Wilhelm Winkelmann in 1983. Niemand kon toen nog vermoeden, dat men dat 10 jaar later heel anders zou zien.

Zoektocht naar de plek, 3. Absatz

De ommekeer bracht de Engelsman Tony Clunn (10-5-1946 – 3-8-2014). Sinds 1987 was hij als lid van de Britse formatie in Osnabrück gestationeerd, maar had in Engeland al flink wat ervaringen opgedaan met metaaldetectoren. In maart 1987 wendde Clunn zich tot de stads- en regioarcheoloog Wolfgang Schlüter. Deze wees hem op de opvallende ophoping van Romeinse vondsten bij Kalkriese. Majoor Clunn ging op weg. Op 5 juli 1987 ontdekte hij Romeinse zilveren munten, een jaar later meerdere Romeinse slingerkogels. Met de vondst van deze wapens was een in eerste instantie omstreden verklaring voor de aanwezigheid van Romeinse troepen in het gebied rond Kalkriese geboren. Vervolgens begonnen in de herfst van 1989 de archeologische opgravingen bij de Oberesch, een stuk grond aan de Kalkrieser Berg.

Majoor Tony Clunn stierf op 3 augustus 2014. Voor zijn ontdekking werd hij in Engeland door koningin Elizabeth onderscheiden met de orde »Member of the Order of the British Empire«. In Duitsland kreeg hij een aantal dagen voor zijn dood de Orde van Verdienste van de Bondsrepubliek Duitsland toegewezen.