Font size

Het Romeinse leger

Uitrusting en kleding

De basiskleding van de Romeinse militairen was – net als van de burgerbevolking – de tunica. Boven het linnen onderstuk van de tunica, werd vaak een mouwloos of kortarmig wollen tunica gedragen. De lengte werd gereguleerd met een gordel; daarmee kon de stof worden opgehouden. Tijdens de koude jaargetijden zorgden »tibialia«, een soort wikkel-slobkousen van stof of vacht, voor warme voeten en benen (de broeken tot over de knie, die bij de hulptroepen al langer gedragen werden, werden pas in de tweede eeuw door Romeinse soldaten overgenomen). De »paenula«, de favoriete mantel van de soldaten van Augustus, werd ook in het dagelijks leven graag gedragen. De mantel werd genaaid uit een soort loden en werd gedragen als een poncho met capuchon. Daarbij kwam nog de »focale«, de wollen sjaal. De kleding van de hogere militaire rangen en zelfs van de keizer onderscheidde zich niet van die van de soldaten. Alleen de paarse mantel, de »paludamentum«, was de officieren voorbehouden, die deze alleen bij bepaalde feestelijke gelegenheden droegen.

Het typisch Romeinse militaire schoeisel waren de »caligae«, leren sandalen met zolen die waren bezet met spijkers. Zowel de voetsoldaten en ruiterij als de centurio liepen hiermee rond. De tribunen en legaten droegen daarentegen de »calceus«, een lage, gesloten laars met een zachtleren zool. Trouwens: het zoontje van Germanicus, die in het kamp van zijn vader opgroeide en bij de soldaten erg geliefd was, kreeg de bijnaam »Caligula«, wat »militair laarsje« betekent. Onder deze naam is hij als latere keizer de geschiedenisboeken ingegaan.

Bewapening

De rijk versierde militaire gordel, met metalen sluiting, heette de »cingulum militare«. In het midden van de gordel hing een lendendoek uit vier tot acht stroken; deze kwam pas halverwege de eerste eeuw in gebruik. De soldaten gebruikten deze in de tijd van keizer Augustus en in het begin van de heerschappij van Tiberius nog niet.

Het vaak rijk versierde, metalen harnas werd alleen gedragen door de keizer en de officieren van de hoogste rang. De productiekosten waren namelijk nogal hoog. De eenvoudige soldaat droeg een maliënkolder, de »lorica hamata«. Dit pantser kon zich goed aan alle bewegingen aanpassen en was bovendien eenvoudig en voordelig te maken. De acht tot negen kilo wegende »lorica hamata« waren vanaf halverwege de eerste eeuw in gebruik. Rond deze tijd werden ook de eerste wijde, cape-achtige schouderstukken aan de kolder aangebracht. De »pteryges«, stukken leer die aan de zoom van de onderkant en de mouwen waren aangebracht en voor extra bescherming dienden, werden later ook door legionairs aan de korte »lorica« gedragen. Eerder waren ze vooral aan de centurio en de signifer voorbehouden. 

Naast kettingpantsers was er ook de schildpantser. Deze tot wel vijf centimeter hoge leren schubben waren gedeeltelijk met metaal bezet en op een linnen pantser of kettinghemd aangebracht. De schildpantser, »lorica squamata«, was vooral geliefd bij de ruiterij en de hogere rangen.

Het hoofd werd voornamelijk beschermd met een ijzeren of bronzen helm, ook wel de »galea« of de »cassis« genoemd. Een knop of een pluim op de helm diende ter afweer van klappen en als opzetstuk voor de voornamelijk rood of zwart geverfde vederbos. Een nekscherm en de wangkleppen, vastgemaakt met scharnieren, boden extra bescherming.

Ook het schild diende ter bescherming. Vaak was het schild voorzien van allerlei symbolen waaraan de eenheid te herkennen was. De Romeinse soldaten gebruikten het langwerpige, gebolde »scutum«.
Deze bestond uit verschillende houtlagen en een bespanning uit touw. Het leer zorgde voor extra bescherming. Tijdens een mars droeg de soldaat zijn schild op zijn rug, verpakt in een hulsel en vastgemaakt met twee riemen.

Het belangrijkste wapen van de Romeinse soldaten was de »gladius«, een kort zwaard met een brede kling dat rechts werd gedragen. De gladius werd in de derde eeuw voor Christus overgenomen van de keltiberiërs. De zwaardschede bestond uit twee leren zijkanten en de randen waren verstevigd met metaalbeslag. Het onderstuk van de schede, bedoeld voor de punt van het zwaard, werd extra verstevigd en vaak voorzien van decoratieve figuurtjes. Naast het zwaard droeg de legionair links van zijn riem een dolk, de »pugio«. De centurionen droegen de dolk daarentegen aan de rechterkant, omdat zij hun zwaard links droegen.

Het »pilum« was de zware werpspeer van de Romeinse legionairs. De speer bestaat uit een houten greep met daaraan een ijzeren staaf. Het totale wapen was ruim twee meter lang en woog tussen de een en de drie kilo, wat de inslagkracht ten goede kwam. Een goed getrainde legionair had met deze speer een werpafstand van wel ruim 26 meter. Echter, vermoedelijk werd de pilum alleen geworpen door speciaal opgeleide soldaten in de voorste rang en waren de te overbruggen afstanden tijdens een strijd waarschijnlijk kleiner. Wanneer de speer het schild van een vijand doorboorde, werd het niet verharde ijzer verbogen waardoor het hergebruiken van de speer door de tegenstander onmogelijk was. Het pilum was vooral aan het begin van de strijd een belangrijk wapen om de rangschikking van de tegenstanders te doorbreken en zo op voorsprong te komen.

Als extra bewapening beschikten de legioenen over grotere geschutten, die vaak door meerdere soldaten bediend werden. Vergelijkbaar met de apart ingezette kruisboog, de »manuballista«, was er de katapult, die kleine »catapultae«, pinnen met ijzeren punten, wegschoot. De grotere variant, de »ballista« schoot met stenen kogels en vuurkanonnen op muren en andere vestingen. Vermoedelijk was sinds de tijd van keizer Augustus iedere centurie voorzien van ten minste één geschut.