Font size

Het Romeinse leger

Ala

Een ala is een oude Romeinse benaming voor een cavalerie. Deze cavalerie bestond uit 500 of 1000 ruiters. Om bij een ala te kunnen aansluiten, moest men eerst tot de ridderstand, de »ordo equester« toetreden. Wie in het bezit was van 400.000 sestertiën en tot de adellijke klasse behoorde, worden opgenomen. Doorslaggevend was uiteindelijk de toestemming van de keizer, waarbij vaak ruimschoots aan de genoemde voorwaarden voorbij werd gegaan. Vermoedelijk waren er in de tijd van keizer Augustus ca. 20.000 ruiters.

Werd een lid van de ridderstand opgenomen in een ala, dan kreeg hij een eigen ‘overheidspaard’ en ging voortaan als »eques equo publico«, oftewel als »ridder met staatspaard« door het leven. Daarnaast bestond er inofficieel ook een ridderstand van »tweede rang«. Deze ridders dienden met hun eigen paard (»equus privatus«) en voldeden officieel niet aan alle eisen. Zo kregen ze geen gereserveerde eersterangs plaatsen in het theater van Rome. Deze plekken waren aan de »echte« ridders voorbehouden.

In de tijd van Caesar werden de al aanwezige Germaanse ruitereenheden voor de geallieerde Germanen gerekruteerd. Deze vormden nog geen direct bestanddeel van het Romeinse leger. Na de reformatie van Augustus veranderde dat: de Germaanse eenheden waren nu een vaster onderdeel binnen de bestaande krijgsmacht. De alae waren strak georganiseerd. Aan het hoofd stond een prefect – vaak een voormalig legioensaanvoerder. De alae, die uit geallieerde volken bestonden, werden vaak door hun eigen aanvoerder geleid, zoals bijvoorbeeld bij Arminius en de Cherusken het geval was.

Het doel was om het Romeinse leger van binnenuit steeds verder te ‘romaniseren’. De bewapening van de alasoldaten bestond in eerste instantie uit lichte speren, ook wel »iacula« of »lancea« genoemd. De speren werden ofwel samen met het schild in de schildhand gehouden, of in een speerkoker getransporteerd. De kracht en de reikwijdte van de worpen werden met werplussen vergroot. De lussen waren vlak achter de speerpunt aangebracht en zorgden voor extra kracht. Worpen van meer dan 70 meter waren geen uitzondering.

Het kleine ruiterzwaard, de »spatha«, diende als extra wapen. Deze werd voornamelijk als steekwapen gebruikt en werd in een zwaardschede aan de gordel gedragen. De militaire gordels van de cavalerie waren in tegenstelling tot de legioenen nogal sober.

Nota bene: 12 van de 23 bekende praefectura praetorio uit de 1ste eeuw n. Chr., die voor dit ambt uit de ridderstand moesten stammen, raakten verwikkeld in samenzweringen en aanvallen. (M. Junkelmann, Die Reiter Roms II, 1998, 47)