Font size

Germanen

Wie waren »de Germanen« ?

De Germanen duikten in de 2e eeuw v. Chr. voor het eerst in het gezichtsveld van de geschiedenis op. Ze werden door hun Keltische buren als in het noorden en oosten wonende stammen beschreven. Ook Caesars kennis ten tijde van de »Gallische oorlog« staafde voor een deel op de informatie van een Keltischen druïde.

De naam waarbij het om het bestanddeel van een Germaanse stamnaam ging, werd blijkbaar door de Galliers - en daarna door de Romeinen - overgenomen en gegeneraliseerd. De Germanen zelf gebruikten daarentegen slechts de naam van de afzonderlijke volksgroepen en zagen zich ook niet als eenheid. Hun geschiedenis was steeds die van hun individuele volksstam.

Ten tijde van de verovering van Gallië door Caesar in de 1e eeuw v. Chr. kwamen de Romeinen herhaaldelijk met de Germanen in aanraking die meermaals naar zuiden oprukten en geduchte tegenstanders bleken. Caesar gelukte het meermaals ze terug te slaan en de Rijn bewees zich hierbij als een geografische maar ook als een toenemende politieke grens.

Weliswaar waren er ook in het gebied links van de Rijn kleinere groepen met Germanen, de »germani cisrhenani« waarvan de grootste groep uit Eburonen bestond. Het eigenlijke nederzettingsgebied van de Germanen strekte zich echter rechts van de Rijn tot de Noordzee, naar Skandinavië, tot de Oostzee en tot Bohemen en Moravië uit. De daar levende stammen laten zich aan de hand van hun culturele erfgoed in grotere cultuurgroepen indelen, zoals bijvoorbeeld de Noordzee-Germanen, de Rijn-Wezer-Germanen of de Elbe-Germanen. Tussen de Germaanse stammen kwam het steeds weer tot oorlogshandelingen. Van een gemeenschappelijk politiek verbond of een doelgericht optreden tegen niet-Germanen kon geen sprake zijn. Desondanks lieten zij in het Romeinse Rijk van de 1e eeuw voor en na het begin van de christelijke jaartelling een diffuse angst opkomen, omdat het imperium in de afgelopen eeuwen onder enige gevoelige nederlagen door oorlogszuchtige overvallen van de noordelijke volkeren had te lijden.

Voormalige bewoners van Kalkriese

De omgeving rond Kalkriese werd al sinds de Steentijd tegen het einde van het derde millenium v. Chr. eerst door rondtrekkende jagers en later door kolonisten van boerenkomaf bewoond. Dit wordt door vondsten van de kampplaatsen van de jagers en vooral door grachten nagewezen. De aanwijzingen zijn echter eerder schaars en het is niet bekend of het gebied permanent bewoond was.

Uit de voor-Romeinse IJzertijd en de vroege Romeinse keizertijd vond men daarentegen sporen van woonbebouwing. De nederzettingsrestanten van de Germanen bevinden zich aan de helling van de berg. HausDaar was de zandbodem droog genoeg om huizen te bouwen, kleinere beken en inzinkingen met bronnen in de nabij gelegen laagvlakte stelden de verzorging met water zeker en er was er voldoende vruchtbare grond voor de akkerbouw. Men vond oudere ovale en jongere rechthoekige plattegronden van huizen met tweebeukige binnenruimte waarvan vooral de donkere kleur van de draagbalken in de heldere zandgrond behouden zijn gebleven. Dergelijke huizen stonden in deze tijd ook in het huidige Westfalen en in Nederland. Kleinere rechthoekige paalpostioneringen duiden op voorraadschuren die tot de woonhuizen behoorden.

Ten tijde van de Varusslag in het begin van de 1e eeuw n. Chr. leefden de Germanen tussen Elbe en Wezer in losse, dorpachtige nederzettingen die uit verspreid liggende en alleen staande boerderijen bestonden. Ze onderscheidden zich duidelijk van onze tegenwoordige dicht bebouwde dorpen. Tot een Germaanse boerderij behoorde het reeds beschreven woonstalhuis met een lange rechthoekige plattegrond waarin mens en dier in afzonderlijke ruimtes waren ondergebracht, alsmede verschillende voorraadschuren en nevengebouwen. In de naaste omgeving bevond zich het te bewerken akkerland, de stroo- en wintervoerarealen en het als hof- en nachtweide gebruikte boerengeriefbos. Overdag weidde het vee verder weg aan de bosrand.

Over de latere Romeinse Keizertijd, de Volksverhuizingstijd en het begin van de middeleeuwen geven slechts enkele vondsten informatie. Blijkbaar vestigden zich in deze tijd slechts weinig mensen in en rond Kalkriese. Met tussenposen was de streek wel mogelijk niet bewoond. Eerst vanaf de hoge middeleeuwen zijn er weer vermeerd aanwijzingen over nederzettingen die nu ook door oorkonden zijn nagewezen. Ze bepalen het beeld van de bewoning aan de noordelijke helling van het Wiehengebergte tot op vandaag.